Uitwerking uitkeringstest dividend

Uitwerking uitkeringstest

In diverse kamerstukken bij het wetsvoorstel wordt verwezen naar een uitwerking van de uitkeringstest door de werkgroep Fiscaal Jaarrapport. De werkgroep Fiscaal Jaarrapport is onderdeel van het Nederlands Taxonomie Project, thans het Standard Business Reporting Programma genoemd. De uitkeringstoets bestaat volgens de werkgroep uit twee stappen (zie ook het stroomschema).

Stap 1: Continuïteitsveronderstelling

Als blijkt dat de continuïteit van de onderneming (mogelijk) wordt bedreigd, mag geen dividend worden uitgekeerd. Het bestuur beoordeelt of er feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot twijfel over die continuïteit. Dit betreft een kwalitatieve beoordeling waarbij alle relevante omstandigheden moeten meewegen, zoals verlies van een belangrijke afzetmarkt, aanzienlijke negatieve bedrijfsresultaten of aanwijzingen dat debiteuren niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Als de afgelopen jaren winstgevend waren en er verder geen signalen zijn die wijzen op een mogelijk continuïteitsprobleem, dan hoeft het bestuur de continuïteitsveronderstelling niet gedetailleerd te analyseren en kan worden doorgegaan met stap 2, tenzij het bestuur voorziet dat er in de nabije toekomst bijzondere omstandigheden optreden die hierin verandering kunnen brengen.

Stap 2: Bepalen uitkeringsruimte

Ter bepaling van de uitkeringsruimte heeft de werkgroep aangesloten bij liquiditeit en niet bij solvabiliteit. De op basis van de quick ratio bepaalde liquiditeitsruimte (vlottende activa -/- voorraad -/- kortlopende schulden) vormt samen met de operationele kasstroom de basis voor de maximale hoogte van een dividenduitkering. Bestuur en aandeelhouders zijn verantwoordelijk voor het bepalen van de precieze hoogte van het dividend. Zij zullen daarbij ook rekening moeten houden met onzekere factoren en toekomstverwachtingen die niet uit de financiële administratie blijken, zoals toekomstige investeringsverplichtingen, claims en aflossingsverplichtingen. Bij een eventueel geschil toetst uiteindelijk de rechter of de bestuurder/aandeelhouder juist heeft gehandeld.

Solvabiliteit is ongeschikt

De solvabiliteit van een onderneming wordt bepaald door de hoogte van het eigen vermogen. Wat voor de ene bedrijfstak als voldoende eigen vermogen geldt, kan voor de andere bedrijfstak onvoldoende zijn. Van banken werd altijd gedacht dat vijf procent eigen vermogen ‘gezond’ genoeg was, voor veel andere bedrijfstakken geldt vijftig procent. Er is dus niet een objectieve minimumgrens te stellen voor alle ondernemingen. Bovendien is de hoogte van het eigen vermogen te beïnvloeden door de keuze uit verschillende waarderingsgrondslagen. Het waarderen van reeds lang in gebruik zijnd onroerend goed tegen actuele waarde of historische kostprijs is bijvoorbeeld nogal van invloed, evenals de verwerkingswijze van goodwill (in één keer ten laste van het eigen vermogen boeken of in twintig jaar afschrijven). Het is dus goed dat de nieuwe wet liquiditeit en niet solvabiliteit als uitgangspunt neemt.